Maarten Inghels

De begeerde vlinder


 

‘De heftigheid waarmee ik haar begeer is ook voor mij nieuw,’ verwelkomt

Robert Dugran het opgedaagde publiek in het tot de nok gevulde

auditorium. Dan vertoont het gezicht van de schrijver plots een lichte

aarzeling, alsof hij van bij zijn entree tot het moment dat hij die eerste

woorden in de microfoon blaast, alleen oog had voor de katheder, en nu

pas de mogelijke impact van zijn geïmproviseerde bekentenis inziet. Nog

steeds druppelen er geïnteresseerden binnen die geen stoeltje meer

kunnen bemachtigen en zich aansluiten bij het staande gezelschap op

de achterste rijen - zijn ze inderhaast opgedaagd naar aanleiding van

de geruchtenstroom die nu her en der op boekenblogs verschijnt? Het

zijn veelal jonge studenten die uit hun slordige anoraks smartphones

opdiepen en een compositie van ringtones als een insectenorkest laten

klinken.

Het is voor de met prijzen bekroonde oeuvrebouwer, die als geen ander

het circuit van lezingen op uitnodiging van slaperige professoren in

universiteiten kent, ongewoon dat hij na die eerste zin in een lange

stilte valt. Dugran steekt zijn hand uit naar het glas water dat op een

servet naast de buigzame microfoon voor hem klaarstaat, maar trekt de

beweging opnieuw in wanneer hij de lichte beving van zijn arm ziet. Met

zijn rechterhand naar zijn mond tastend, alsof hij deze wilt behoeden

voor verdere roekeloosheid, bevoelt hij de gladde geul boven zijn lip.

Er zijn nog geen stoppeltjes doorgebroken. Zijn met rimpels gevoerde

linkerhand rust op zijn leesexemplaar van De begeerde vlinder, het boek

waarmee hij al vijf weken van continent naar continent hupt, van clubs

vol theedames naar boekhandels op de rand van het faillissement. Op

de achterflap van zijn boek ziet Dugran de auteursfoto die de laatste vijf

jaar op zijn boeken wordt gedrukt: met ongeveer in het midden van zijn

brede hoofd, zoals een insect op een kartonnetje wordt gespeld voor

conservatie, zijn karakteristieke snor. Maar het is niet een gevoel van

heimwee dat hem achter de katheder overmant, eerder de vermoeidheid

die toeslaat alsof de ouderdom hem nu als een straf op de knieën dwingt,

klaar voor de weckpot vol formol. Dugran besluit dat zijn volgende zin

niet in een noodzakelijk verband zal staan met zijn eerste, maar dat het

publiek hem niettemin zal verstaan, klaar en duidelijk; ‘ik vermoed dat dit

mijn laatste boek is.’

Het zweet loopt in een stroompje over zijn rug. Robert kijkt door een van

de langwerpige ramen van het auditorium naar de nacht die over de stad

valt. Nog in het ongewisse over de breuklijnen die zich zouden aftekenen

in zijn leven, was hij die ochtend ingecheckt in Hotel Jerusalem waar hij

nog een dutje deed en zijn voorbereidingen herlas. Op de vliegtuigreis

had hij in zijn werkschrift enkele woorden van dank neergepend,

gebaseerd op zijn speeches bij eerdere eerbetuigingen - hier en daar wat

frases herformulerend zodat het niet zou opvallen bij de professoren die

hem die avond een of andere penning of gouden veer wilden opspelden,

in ruil voor een wazige groepsfoto bestemd voor de muren van hun

universiteitskantoren.

Daarna bladerde hij door De begeerde vlinder om enkele passages

die hij zou voorlezen uit te zoeken. Het is ironisch dat het hoofd van het

departement literatuur hem op omfloerste wijze had verzocht de beruchte

seksscène niet voor te lezen omwille van de choquante inhoud. ‘Niet

dat ons publiek zo puriteins is, God nee, het is een zaak van hogerop

moet u weten, uiteraard, we zouden het dolgraag nog een keer horen,

met uw geroemde stem als een klok, maar ach, wat kunnen wij, we zijn

genoodzaakt.’

Enkele maanden na de lancering van zijn roman was hij de reacties op

die welbepaalde passage onderhand wel gewend, en in een van zijn

narcistische buien, die hij met een paar jenevers ‘s nachts kon opwekken,

zou hij zonder morren toegeven dat hij de consternatie om zijn boek stil

gehoopt had, meer zelfs; de commotie had opgezocht. Dat een of ander

feministisch meldpunt, Vrouwenraad ter Bevordering van het Okselhaar,

wist hij veel, die welbepaalde pagina’s uit het boek had uitgeroepen

tot de wansmakelijkste literaire vrijpartij uit het laatste decennium aan

wereldliteratuur, gooide alleen maar olie op het vuur. Het vuur dat hij als

gevestigd auteur zo gemist had van de tijd toen hij als twintigjarige knaap

met vuurwerk debuteerde.

Met de nodige égards was hij ontvangen door de keurig opgedirkte

maître d’hotel die hem vriendelijk aanbood zijn koffer naar de kamer te

dragen - ‘Heeft u een goede reis gehad, meneer Dugran?’ Zijn koffer, een

op vliegtuigcabineformaat gemaakt ding in kogelvrij staal, een cadeau

van zijn vrouw Emily bij zijn tienjarig schrijversjubileum, hij moest toen

immers veelvuldig de baan op, borg hij niet op in de kast. Hij zou maar

voor één nacht in deze stad blijven. Morgen vloog hij naar Parijs voor een

tussenstop bij een oude schrijversvriend, waarna hij opnieuw naar huis

zou keren, naar Emily, en hij hun kinderen en kleinkinderen nog eens zag.

Na zijn dutje ging hij recht zitten op de harde matras, god wat zou het voor

zijn rug een beloning zijn om naar huis te gaan, en klapte zijn laptop op

zijn knieën open.

Gebruikersnaam: RobertDugran.

Paswoord: Nikkita.

Zo’n erotische vrijpartij zat nog steeds in Robert Dugran zijn reumatische

vingers. Het literaire taaltje dat in de neukscène schuilde had hij nog het

liefst in sierlijke letters met zijn getrouwe vulpen willen neerpennen, maar

dat liet de stramheid van zijn knokkels niet toe. Door de talloze kistjes

sigaren die hij er in al die jaren had doorgejaagd, waren de aderen in

armen en benen dichtgeslibd en werd hij genoodzaakt met een computer

te leren schrijven, letter per letter aanslaand. Hij had er genot in geschept

de twee hoofdpersonages uit De begeerde vlinder als twee vleugeltjes

tegen elkaar te laten klappen, met een luchtverplaatsing als gevolg die de

resterende honderd pagina’s liet opwaaien.

De dag dat hij zijn manuscript ging inleveren, was Robert bijzonder

gecharmeerd door het laag ingesneden jurkje dat zijn redactrice

droeg, maar hij voelde een nog grotere genoegdoening om haar zo

verrukt te zien over dat welbepaalde sleutelhoofdstuk in zijn boek. In

Dugran’s aanwezigheid verdiepte zij zich in de scène waarin de twee

hoofdpersonages elkaar leerden kennen als het beest met twee ruggen,

waarna zij enkele zinnen hardop voorlas – zij met haar meanderende

stem zo zijn geladen woorden als rivierstenen oplichtte, zonder de

onderliggende dubbelzinnigheden te zien glibberen als pissebedden.

Nietsvermoedend en zonder blos op de kaken vatte zij het redigeren aan.

Dugran had verwacht dat op elk moment de telefoon zou rinkelen waarna

zij toegaf zichzelf te herkennen in de tegenspeelster, de avances van

zijn literaire alter ego doorzag. Maar in haar ogen bleef het hoofdstuk, en

daarbij het hele boek, dode letter, zag zij zichzelf niet rechtstaan uit de

zwarte inkt.

En nog voor de drukpersen, kreunend om zulks een grote oplage tot

stilstand waren gekomen, raakten de recensenten het er unaniem over

eens dat het om een meesterwerk ging, van de nog immer vitale Robert

Dugran - krantenstukken waarvoor hij met een fles champagne naar de

uitgeverij snelde om dit succes te kunnen delen met Nikkita, de persoon

waarvoor het boek onofficieel was opgedragen. En wonderwel plaatsten

de recensenten voornamelijk kanttekeningen bij de pornografische

inhoud in relatie met zijn hoge leeftijd, en zochten niet verder naar de

reële oorspronkelijkheid van de personages die zich tomeloos vergrepen

aan elkaar. De literatuurwetenschappers hadden de sleutel op zijn

persiflage van de werkelijkheid nog niet gevonden, had hij tot dan toe

gedacht.

Robert klikte zijn webbrowser open en tikte in de adresbalk de link van

een literatuurwebsite in. Eens kijken wat mijn collega’s ervan bakken,

grinnikte hij. Als vanouds kwekten de jongste goden en nimfen op hun

sociale netwerkwebsites, wanhopig smekend naar een handvol volgers

voor hun onverkochte paperbacks. Fladderende vogeltjes die met hun

oneliners en geföhnde haar in de gratie van hun lezeresjes probeerden

te vallen. De literaire waan van de dag was een debutant die op het

podium van een theaterzaaltje in zijn thuisstad enkele recensies in brand

had gestoken. Een ludieke stunt, riep de jonge schrijver luidkeels, een

dikke middenvinger naar de slabakkende literatuurkritiek, schreven de

aanwezige journalisten.

Nadat hij een koffieschoteltje van de nachttafel had genomen en het

op zijn dekbed plaatste stak hij een dun sigaartje op. Hij vernieuwde de

pagina en bleef hangen in een hoestbui van de prikkelende rook.

‘De Avances Van Robert Dugran Voor Zijn Redactrice Nikkita Watson;

Hoe De 61-Jarige Gerenommeerde Auteur Verliefd Werd Op Zijn Dertig

Jaar Jongere Redactrice.’

Bijgaand bij het smeuïge artikel stond een afbeelding van zijn

opgezwollen aardappelhoofd, een lelijke stockfoto die men steevast

opdiepte uit de krochten van hun archief als de toon van het geschrevene

niet erg aangenaam was om lezen, nog het minst voor Dugran zelf

die, de annonce vol achterklap bestuderend, zijn borstelsnor die hij de

laatste dertig jaar keurig bijknipte, uitdunde, en ja zelfs bijkleurde, er plots

bespottelijk vond uitzien.

Traag klapte hij de laptop dicht, waarna hij besefte dat hoewel hij het

artikel zo van zich afduwde, dit geroezemoes om zijn persoon verder

zou uitbreiden. Het was zonneklaar dat zijn zakelijke verhouding met

Nikkita gebrouilleerd was, om niet te zeggen; binnen enkele minuten ten

gronde gebracht. Met die gedachte betrapte hij er zichzelf op dat hij nog

geen seconde aan Emily had gedacht, en bij uitbreiding de kinderen,

hun parels van kinderen, die hun vader nu beslist een geile klootzak

vonden nu hij met zijn versleten pik hun moeder in verlegenheid bracht.

Hij keek naar de wekkerradio en wreef zijn zweterige hand droog aan zijn

kostuumbroek. Nog twee uur voor de lezing van start ging.

Terwijl hij zich oppepte voor wat hem te wachten stond, stak hij nerveus

een nieuw sigaartje aan met het vorige, een kwalijke gewoonte, en

duwde de oude uit op het logo van Hotel Jeruzalem in het koffiekopje.

Hij had medelijden met Nikkita, met wie hij al zes jaar een vruchtbare

samenwerking had uitgebouwd, niet gehinderd door onuitgesproken

kritiek op elkaars fouten. Terwijl het contact met zijn uitgever beperkt

bleef tot beleefdheidsbriefjes waarin die droogweg melding maakte van

voorschotten en afrekeningen van de royalty’s, was het grondig met elkaar

oneens kunnen zijn de sleutel tot zijn succesvolle samenwerking met

Nikkita.

Hij nam de hoorn van het antracietgrijze telefoontoestel op het

nachttafeltje en draaide het nummer van de hotelreceptie, waarna hij

vroeg om te worden doorverbonden met het internationale nummer dat

hij cijfer per cijfer uit het hoofd doorgaf. Een zacht gezoem klonk uit de

speaker tot het werd onderbroken door de pieptoon die aangaf dat de

telefoon overging. Hij nam een pluk van zijn snor tussen zijn duim en

wijsvinger en draaide de haren in wijzerzin tot een punt.

‘Hallo?’ zei de vrouwenstem aan de andere kant van de lijn. Robert slikte

een paar keer en zoog dan even op de binnenkant van zijn wang om

speeksel te verzamelen voor zijn droge mond. ‘Robert, ben jij dat? Hallo?’

‘Ik ben het, Nikkita,’ antwoordde hij. ‘Robert.’ Zijn hart sprong onstuimig

op, alsof hij na al die jaren plots begrepen werd. Hij nam een gulzige trek

van zijn sigaar, hield de rook even vast in zijn opgebolde wangen terwijl hij

de peuk op het schotelje legde, en blies dan krachtig uit.

‘Heb je het goed daar? Als ik me niet vergis moet je zo naar die lezing.’

Shit, dacht Robert. Ze weet nog van niets. Of ze wil het niet geloven, en

doet haar best om de nare berichtgeving niet ter sprake te brengen.

‘Prima, dank je,’ loog hij. Hij keek naar het stompje sigaar dat op de

rand van het schoteltje balanceerde en uitdoofde. Hij, die zijn leven had

opgedeeld aan de hand van zijn eigen boeken, volgeschreven bladzijden

die het licht van de decennia probeerden te vangen, kroontjespennen

krom had geschreven aan de honderdduizendste poging om datgene

onder woorden te brengen dat zovelen niet over de lippen krijgen en daar

ook met verve in was geslaagd, moest nu toegeven dat hij voor het eerst

zijn tong was verloren.

‘Ik ben blij voor jou,’ zei Nikkita. ‘Waarom bel je, als ik mag vragen.’ Het

was niet dat Nikkita zijn pen vasthield bij het schrijven, helemaal niet,

maar zoals zo vaak masseerde ze met haar zalvende stem een ingang in

het gesprek, had ze hem de laatste zes jaar tot grotere hoogtes denkbaar

gestuwd, dwong ze hem over hordes waarover hij nooit eerder durfde

springen.

‘Nikkita,’ zei hij. ‘Ik moet je iets vertellen.’

De ontmaskering was compleet. Hij, die als schrijver steevast

rookgordijnen optrok om zijn ware persoonlijkheid in mist te onthullen,

zichzelf als een schatkist op de bodem te verbergen, was ontmanteld.

Hoe die journalist had weten in te breken in zijn geest, was onbelangrijk.

Het was nu schade opmeten en indammen, zijn stuurloze imago bijsturen.

Nikkita was achter de rug, althans voor nu. Over Emily zou hij zich later

zorgen maken.

Robert stond op van het bed waar hij het laatste uur had doorgebracht

en voelde zich op een merkwaardige manier verlicht. Als hij naar De

begeerde vlinder keek, dat bovenop zijn reiskoffer lag, leek het alsof

de kaft wat van zijn glans was verloren. Hij zag nu pas de vouwlijnen,

de ezelsoren, de erosie die tijdens het veelvuldige voordragen in de

bladzijden was gesleten. Hij liep naar de wastafel in de badkamer, haalde

zorgvuldig zijn scheerkwast en -gerei boven en enkele zorgvuldige halen

later, was de omwenteling compleet. Hij voelt zich schoon, als een lege

bladzijde.

Zijn witte borstelsnor, onder de neusvleugels gelig verkleurd van de

nicotine, was weg.

Dugran tuurt over de microfoon de zaal in. Er klinkt geroezemoes,

slechts onderbroken door de mechanische geluiden van de in

smartphones ingebouwde cameraatjes. Het publiek smult van dit

bekentenisamusement, dat ziet hij in hun gretige ogen, en daar op het

podium, beslist Robert Dugran los te breken uit zijn schaamte en leugen,

en laat met een lezing van het spannendste hoofdstuk uit zijn leven,

een laatste keer de twee hoofdpersonages dansen boven de aanwezige

hoofden.